Wanneer het ijskogels regent,
pijnlijk slaand tegen je hoofd, kleinerend je vertrouwen en hoop,
bid dan niet om zachtere regen, lentezon in december of madeliefjes aan de dennentak,
maar vraag een sterkere paraplu.
Wanneer het ijskogels regent,
pijnlijk slaand tegen je hoofd, kleinerend je vertrouwen en hoop,
bid dan niet om zachtere regen, lentezon in december of madeliefjes aan de dennentak,
maar vraag een sterkere paraplu.
Het beste moment tijdens lezen is wanneer je plots iets tegen komt, een gedachte, een gevoel, een manier van kijken, waarvan je dacht dat het was, speciaal en enkel aanwezig bij jou.
Maar daar staat het, neergeschreven door een ander. Iemand die je nooit ontmoet hebt, of ooit ontmoeten zal. Een schrijvende ziel die soms zelfs al dood is, en tot aan dit moment vergeten, misschien.
En het is alsof er gefluisterd wordt tot je allerdiepste binnenste, door een zachte stem die persoonlijk tot je spreekt “het is goed”, en een hand uit de tekst tevoorschijn komt om de jouwe vast te nemen.
Je ontdekt: het was, en nu is het weer.
niet de eerste - of een daartussenste –
maar elkaars laatste
ik+jij=wij
te zijn?
Er waren kikkers
en er kwam een goede prins,
maar ik ontdekte,
het houdt daar niet bij op.
Och, wat was ik eerst
nog kleinemeisjesdom
met slecht verziende blik.
Er is nog een andere rang op de lijst,
de betere, de beste, de hoogste.
De koning!
En er is een kans,
dat hij mij voorgoed
gemaakt heeft, het hof.
Al weet je dat
met de echte sprookjes
in deze tijd natuurlijk nooit.
Maar bij gebrek aan
vriendelijke oude toverfee,
met magisch stokje, lachende rimpels
en ondeugend glimzilverhaar,
tijdens flink meppende tegenslag,
gebrek aan latenwemoeitedoenenergie
of sluimerende gooihetbijltjeerbijneergedachten,
huren we toch gewoon
bij onszelf vanbinnen
een vechtvoordeliefde
ridderskostuum?
Ik ging terug bij af en na een intoductiekamp vol domme spelletjes, sportiviteiten, slopende ochtendgymnastiek, vierentwintigkamp, leedvermaak voor ouderejaars, kampliedzingen, koeiengeloei, boerderijlucht, vieze wc’s, bijna niet binnen te houden voedsel, slaapgebrek, stortregen en zuigende blubber, kreeg ik daarvan bijna spijt.
Zonder uitrusttijd moest ik door naar koude collegezalen, volle treinen en oncomfortabele bagagedragers, vulde mijn hoofd zich met onrust en stress en groeiden de wallen onder mijn ogen tot je-kijkt-maar-beter-niet-naar-mij formaat.
En toen kwam de stage bijna in zicht. Maar na weken door de regen fietsen naar dichte deuren en bellen naar telefoons die onbevredigende gesprekken doorgaven, was niks gelukt. Tot een student besloot toch maar geen meester te worden, en mij eindelijk mijn begeerde plekje schonk.
Toen ging ik op kennismaking. Dat werd drie keer verdwalen, een plasplek zoeken en eindigen bij een boze dokter, en te laat aankomen. Ik struikelde over de trap, h-h-haperde mijn woorden naar buiten en knoeide thee bij de directeur. De juffen ontmoette ik, en ze waarschuwden voor een klas met kinderen die van leerkrachtschoppen houden. Bemoedigend?
De eerste week zit er op, en was nog veel leuker dan het hiervoor genoemde bij elkaar! Al was dat misschien niet zo moeilijk.
Inmiddels zijn mijn naam en identiteit verruild voor die van juf, lijd ik aan een koffieverslaving, zijn aan mij te schenken tekeningen in de maak, heb ik kinderogen op zien lichten, verteld, orde gehouden, les gegeven, ik-wil-perse-naast-u-zittertjes verdiend en traktaties van jarige kleuters naar binnen gewerkt.
Vliegen zonder vleugels deed ik. Want geleerd had ik nog niet. Maar het juffrouwen-vliegbrevet? Dat haal ik wel!
Het klopt niet.
Alles is nog bekend,
zoals het simpel was.
Maar sinds een maand is het anders.
In hele goede zin anders.
Al zijn mijn letterlijke zinnen
hierdoor fout.
Denken, schrijven en spreken,
het vereist verandering.
Nieuwe letters.
De H van hart, van goede hoop,
de M van mooi, mijn en man,
de A van affectie, adoratie,
de C van communicatie,
de I van intimitieit,
de G van geluk,
en twee keer de belangrijkste letter,
die al het voorgaande bevat, en meer.
De L van, hoe kan het ook anders,
de liefde. De liefde, de liefde.
Samen vormen zij een glimlach.
Te breed om te negeren en fijn genoeg
om mijn woordenboek overhoop te halen,
met uitgerekte ruimte, sierlijke inktletters
en nieuwe-woorden-plak.
‘Operatie woordverbeteraar’ voer ik uit,
zodat ik zeggen kan, door de o zo lieve jou,
ben ik tot niks anders dan glimlachen
meer in staat.
Ik val er mee in slaap, sta er mee op,
eet, drink, luister, luier en doe,
alles, ja alles, met de ware betekenis
van deze kleine alfabetcombinatie-stukjes
er voor geplakt.
Je begrijpt, dat wordt glimlachkussen,
glimlachpraten, glimlachherinneren,
en meer van dit, zus, zo en dat.
Maar dat vinden jij, ik,
en de andere ontvangers van mijn zinnen,
vast niet zo erg.
Mijn woorden zijn
door de gevoelens die ik voel,
onuitgesproken
uit mijn hoofd verdwenen.
En dat is jouw lieve schuld.
Dus ik vraag je,
kus je ze spoedig
terug?
Het is speeltijd. De wolken schurken dicht tegen elkaar aan, maar niet uit liefde. Woede lokken ze uit, noodweer willen ze maken. Dikke druppels spugen, om de straten te laten glanzen en te zorgen voor verminderde grip van door mensen geliefde wielen.
Ze stoken de wind op, zodat ze giert om de huizen en doodse liederen zingt. De ramen klepperen, kou kruipt door de kieren, bomen buigen door en zwiepen met hun scherpe vingers tegen de ramen. De grauwe lucht wordt opengereten door zwaarden van paars vuur.
En jij ligt lekker warm in je bed. Veilig. Maar toch ben je bang. En dat is je fout, want dan ruiken ze je: de zwarte merries van de nacht. Ze zijn net als het weer, een gewelddadige wervelstorm.
Met wapperende manen komen ze aan galopperen, om stil te houden naast je bed. Net zo lang, tot je hun aanwezigheid voelt, je krampachtig gesloten ogen opent, en recht in hun briesende monden staart.
De rotte tanden lachen je toe, de walmen uit hun keelholtes slaan in je neus. Een kwaadaardig gehinnik kruipt kriebelend in je oor.
En als ze zeker weten dat je ze goed opgemerkt hebt, walsen ze over je heen met trappelende benen. De kletterende hoeven van ijzer laten pijnlijk diepe afdrukken achter in je gezicht. De smaak van hun stank plakt aan je gehemelte.
Gekrijs is hun aanmoediging. Als de zoute regen stroomt, spugen ze de tranen van je gezicht.
Enkel lachen en genieten redt.
Maar dat lukt je niet.
Ik mag onder de scan. Niet zoals vroeger, voor de gein, met mijn hoofd onder de printerklep, wachtend op de lichtjes terwijl ik daar op de glasplaat lag met waaierhaar, een geplette neus en een giebelhoofd. Maar zoals morgen, in het ziekenhuis.
Na vele witte gangen zal ik het kamertje vinden, de zenuwachtige kriebels in mijn buik negeren, en dapper naar binnen stappen.
Ik zal moeten gaan liggen op een ongemakkelijk uitziende tafel, terwijl ik me afvraag wat er gaat gebeuren en stiekem best een beetje bang ben voor de uitslag. Een ziekte, iets ernstigs. Ook al is dat er waarschijnlijk niet en weten we dan na al die onderzoeken nog niks. Beide opties klinken niet goed. Wat beter is, weet ik niet.
Een aangename houding moet ik zoeken, mijn ogen sluiten en dan is er een minuut of veertig niks. Niks wat ik mag, wat ik kan. Zelfs de allerkleinste beweging kan verstorend zijn. Ik voel me waarschijnlijk als een hond, die het bevel kreeg voor dood te gaan liggen. Al ga ik dat voorlopig liever nog even niet.
Jeuk op het puntje van mijn neus zal ik krijgen. Dat weet ik zeker. En daarna zal het allerlei plekken langsgaan, steeds meer, steeds kriebeliger, totdat ik op wil springen en drie paar handen wens om me te verlossen met aangenaam gekrabbel.
En boven mij spit de scan mijn hele hoofd door, mijn lichaam over, tot alle hoekjes en kamertjes grondig geïnspecteerd zijn en er een beeld van mij is gevormd. Zonder dat ik weet of er klonten, foutjes en imperfecties in mijn gezondheidsschilderij verscholen zitten.
Als het klaar is, zal dat een opluchting zijn. ‘Sta op, kleed je om, ga naar huis. Is het erg dan bellen we, zo niet, dan moet je “even” wachten (want dit is een ziekenhuis dat weinig tijd heeft voor jonge meisjes met jarenlange vage klachten), dag!
Daarna fiets ik zo snel mogelijk terug naar huis, hopend dat het reisje naar dit medische station niks meer was dan een eenvoudige tussenstop zonder gevolgen. Zonder vertraging, verkeerde overstapplaats, of ongelukkig eind…
Hij ging naar de bloemist, kocht de negen mooiste rode rozen die hij vinden kon, vervolgde zijn weg naar de winkel die goedkope nepperds bood, nam er eentje uit het net-echt-schap, stak haar bij de anderen en schikte ze bijeen tot een handzame bos, zodat hij haar een zoet liefdesboeket van tien schenken kon, met daarbij sprekend, oprechte woorden, die tot haar hart zworen: pas wanneer de laatste roos verwelkt, zal ik je verlaten…
©2003 - 2012 Weblog.nl is onderdeel van Sanoma Media Netherlands groep.