Het was een klein meneertje met een grote droom: weerman worden. Elke avond voordat hij naar bed ging, keek hij uit het raam. Net voordat het donker zou worden, kon hij nog wolken tellen, bedenken welke vormen ze hadden en nadenken over de kleur van de lucht en het antwoord op de vraag of vogels nou van zichzelf zo snel konden vliegen of dat de wind ze vooruit duwde. Daarna pakte hij zijn weerblok en zijn potlodendoos, tekende zonnetjes en hemelblauw of grijze luchten en regen. Ook bedacht hij of de poppetjes op zijn papier zwembroeken nodig hadden of een sjaal en of het boogje van hun mond omhoog of omlaag moest gaan. In hanenpoten schreef hij er wat verklarende cijfers en letters bij, en in de rechterhoek Storm, zijn naam.
Daarna kroop hij diep onder de dekens, om meteen in slaap te vallen. Want hij wist wat er dan zou gebeuren. De dromentrein zou arriveren om hem te laten reizen naar het eind van het NOS-journaal van de aankomende dag. Daar zou hij staan, voor een bewegend plaatje van Nederland dat grotendeels bedekt zou zijn met ingewikkelde lijnen en letters, en hier en daar een overvliegende wolk. Wanneer hij in zijn hand kneep, zou het beeld veranderen om te laten zien wat de mensen de volgende dag konden verwachten. Hij wist niet precies hoe dat kon, want het was hem nooit opgevallen dat de weerman daarvoor een klein apparaatje gebruikt. Volgens deze kleine knul kwam het uit de man zelf, en dat kon Storm ook, dat wist hij wél.
Wanneer het ochtend was en hij naar beneden mocht, scheurde hij zijn weerbericht van het blok en gaf het aan zijn moeder die het opgevouwd voor hem in een envelop deed waarop hij “Foor de weerman”‘ schreef. Voor schooltijd reden ze naar de brievenbus van het bezoekadres van de NOS en ’s avonds zat het hele gezin voor de buis om af te wachten of de weerman zou zeggen wat hun dromer ook te zeggen had. Het was vrijwel altijd juist, maar niemand in de omgeving van Storm geloofde daar wat van. Sommige tv-makers vonden het wel geinig, maar voor het bezoek van een cameraploeg werd hij nog te veel ingenomen door kinderlijke verlegenheid die zich uitte in geslaagde verstoppogingen. Hij ging door met zijn weerpraktijken, zonder eer, maar wel met een droom die steeds minder dromerig werd.
Op een dag werden de bureau’s opgeruimd en kwam iemand een kleurrijke stapel kindertekeningen tegen. Het ging de hele redactie over en ze dachten: hier kunnen we best iets mee doen. Er kwam een brief naar de jongen toe en een paar dagen later werd op tv zijn recent ingeleverde tekening in de lucht gehouden. Zijn naam werd genoemd, samen met woorden over kinderfantasie, het navolgen van dromen en een niet-grappige grap over zijn naam. Daarna volgde, overdreven serieus uitgesproken en met een onderdrukte lach, zijn voorspelling, die door de geleerde weerman werd afgesloten met een “We zullen zien”.
De volgende dag was het een weerwar (Nee, dat woord bestaat niet. Of nouja, nu wel?): zomer, op 1 oktober in het jaar 2011. Ook in mijn niet-fantasiewereld.