Over Ivanka Groeneveld

Ivanka is bijna 20 jaar oud en al bijna 1,5 jaar gelukkig met haar vriendje. Ze studeerde Journalistiek in Utrecht en leerde voor juf in Ede. Behalve op deze website, schrijft ze nog veel meer: teksten voor de websites van Vacanceselect, Alles Brocante en Kidskamers, recensies, interviews en verslagen voor Plug Out (zowel online als gedrukt in het Noordhollands Dagblad) en museumrecensies voor Oneindig Noord-Holland. Zodra ze meer tijd heeft, gaat ze ook voor de website Cultuurshock aan de slag. En tenslotte, maar totaal niet als onbelangrijkste: haar droom is om na de zomer de studie Creative Writing te gaan doen bij ArtEZ in Arnhem.

Een roze wolken dromerig idee

Als ik je mis en er boven mijn hoofd een denkwolkje ontstaat, of beter gezegd met jouw lengte van lijf en jouw impact op mij: een wólk van gedachten, zou ik willen dat wat ik daar zag, een mooi plaatje van vlees en bloed en liefde, met kijkers die werken als magneten en hoofdharen die vragen om gewoel, met vingers die ik met de mijne vervlochten wil hebben en een mond die spreekt van het leven en het goede en van jij en ik maar die behalve woorden zeggen ook erg goed kussen kan, niet denkbeeldig maar werkelijk bij mij was.

Op die momenten van geliefde-gemis prik ik daadkrachtig in het witte wolkgebied om vervolgens te wachten tot jij langzaam met de zachte dons naar beneden daalt om naast mij neer te komen met een grijns en een ogentwinkeling van geluk, waaraan ik zien kan dat je blij bent er te zijn, bij mij.

Maar lukken doet dit nimmer, dus wacht ik keer op keer vol verliefd ongeduld tot het moment waarop ik je weer buiten mijn wenswereld zie, terwijl ik mezelf troost met het idee dat de reden van het mislukken is dat jij dit ook doet, tegelijkertijd, waardoor onze wil om samen te zijn sterker is dan deze roze wolken dromerige manier van personenvervoer hebben kan.

En er is niemand die met zekerheid zeggen kan dat het niet waar is, want de liefde is onbegrijpelijker dan dat wat niemand grijpen kan.

Er zit een pony op mijn hoofd

Er zit een pony op mijn hoofd. De variant die niet hinnikt en niet stinkt. Zonder hoeven, maar wel met haar. Míjn haar, om precies te zijn. Maar dan veel korter dan voorheen.

Dat wilde ik zelf, zonder het eerst te weten. Het idee ontstond op de dag dat ik een van de grootst mogelijke fouten maakte die je bij een kapper maken kunt. Zeker als het een kapper is die je niet kent. “Ik wil graag iets anders, zodat mensen eindelijk eens zien dat ik naar de kapper ben geweest!”, kwam er uit mijn mond. De artistiek ogende kapster met zwart kroeshaar wat alle kanten uit ging zonder last te hebben van de zwaartekracht, plukte wat aan mijn haar, mompelde iets van “Misschien een pony?”, deed wat knipjes, liet me heel lang wachten, deed nog wat gefriemel en toen stond ik buiten. Zonder pony, maar wel met een haarmisbaksel. Niet naast me, maar op míjn hoofd. Al zag ik dat laatste pas achteraf, en nu, maanden later, nog steeds.

Het pony-woord bleef in mijn hoofd hangen en elke dag als ik in de trein of de bus zat, door de stad liep of tv keek, zag ik een goed geknipt stuk haar over het voorhoofd van vrouwen hangen. Ik staarde er gefascineerd naar totdat ik boze blikken kreeg die mij zonder woorden vroegen wat er nou zo bijzonder was. Nou, zo’n kapsel hè, zo eentje als jij hebt, dat wil ik toch eigenlijk ook wel een keer, was het verzwegen antwoord.

De volgende kapsalon die ik bezocht had een kapster in dienst die de gok niet durfde te wagen en mij een lok gaf die sprekend leek op de hare. Maar dan iets minder goed gelukt. De daarop volgende keer bezocht ik gewoon weer een andere knipmevrouw. Ze kreeg een voorzichtig om een pony vragend meisje in de stoel. Die daarna ineens vrolijker was, want: ze wilde het doen!

In een paar minuten was het gebeurd en lagen de haren op mijn schoot. Ze dreven ook in mijn koffie. Ze waren afgeknipt omdat ze toevallig aan de voorkant van mijn hoofd waren gegroeid in plaats van aan de achterkant. Heel zielig.

De stijltang kwam er aan te pas en met een totaal nieuwe look, liep ik de deur uit. Ik voelde me ondanks dat toch een meisje met iets op haar voorhoofd wat daar niet hoorde en ook nog eens heel aanwezig was. Het leek alsof iedereen aan me zag dat mijn haar mij verwarde, me aanstaarde en in zijn of haar hoofd dacht: hihihihi! Een combinatie van menselijk uitlachen en paardenpony-gegiechel (want wie zegt dat hinniken voor die dieren hetzelfde is als praten voor ons?), ofzoiets.

Sinds mijn thuiskomst die dag, is mijn naam vervangen door een gniffelend “Pony!”. Herhaaldelijk uitgesproken, elke keer als mijn gezinsleden mij bekeken. Dat was dus best wel heel erg vaak.

Nu worstel ik al een paar weken elke ochtend met mijn eigenwijze haar dat in de slag schiet en eigenlijk het liefst een leven als krulhaar zou willen hebben. Mijn scheiding (niet van een man, maar van twee haarhelften met een grenslijn van huid) die altijd op dezelfde manier valt, wil daar eigenlijk niet mee ophouden. Ook opmerkelijk: de rechterlokken van mijn haar krullen onderaan naar links en de linkerlokken willen op hun beurt liever naar rechts. En wanneer de ene kant naar binnen buigt, buigt de andere naar buiten of gaat het stijl omlaag. Om nog maar niet te spreken over mijn net-uit-bed-uiterlijk met recht overeind staand haar alsof iemand er terwijl ik sliep een halve pot gel in heeft gesmeerd en het korte haar zo gek mogelijk overeind heeft gezet. Soms begin ik, maar dat geef ik niet hardop toe, te denken, hadden die eerste twee knipmevrouwen mij dan tóch leed bespaard?

Gelukkig bestaat er zoiets als een stijltang. Al heb ik dan net weer de verkeerde gekocht. Of is het normaal dat ik al na een paar seconden mijn voorhoofd en vingers verbrand nadat die in aanraking zijn gekomen met net behandeld haar? Als we een brandalarm zouden hebben, zou het al een paar keer zijn afgegaan, dat weet ik wél. Of het na al dat harde werken nou mooier is dan het kapsel dat ik vroeger had, is ook nog maar de vraag.

Niemand zegt van wel en ook mij is het een raadsel. Nu heeft het ponyhaar alweer bijna een lengte die niet pony-achtig meer is (en dat zónder paardenstront als mest), zeg maar zo lang dat ik een blindegeleidehond nodig heb, dus het laten groeien tot normaal haar is vanaf nu best te doen. Velen moedigen dit, niet zo subtiel, aan. Maar Ivanka is eigenwijs. Dus galoppeert ze de komende tijd nog even verder in pony-ergernis.

De weerwar waar niemand over uitgepraat raakte

Het was een klein meneertje met een grote droom: weerman worden. Elke avond voordat hij naar bed ging, keek hij uit het raam. Net voordat het donker zou worden, kon hij nog wolken tellen, bedenken welke vormen ze hadden en nadenken over de kleur van de lucht en het antwoord op de vraag of vogels nou van zichzelf zo snel konden vliegen of dat de wind ze vooruit duwde. Daarna pakte hij zijn weerblok en zijn potlodendoos, tekende zonnetjes en hemelblauw of grijze luchten en regen. Ook bedacht hij of de poppetjes op zijn papier zwembroeken nodig hadden of een sjaal en of het boogje van hun mond omhoog of omlaag moest gaan. In hanenpoten schreef hij er wat verklarende cijfers en letters bij, en in de rechterhoek Storm, zijn naam.

Daarna kroop hij diep onder de dekens, om meteen in slaap te vallen. Want hij wist wat er dan zou gebeuren. De dromentrein zou arriveren om hem te laten reizen naar het eind van het NOS-journaal van de aankomende dag. Daar zou hij staan, voor een bewegend plaatje van Nederland dat grotendeels bedekt zou zijn met ingewikkelde lijnen en letters, en hier en daar een overvliegende wolk. Wanneer hij in zijn hand kneep, zou het beeld veranderen om te laten zien wat de mensen de volgende dag konden verwachten. Hij wist niet precies hoe dat kon, want het was hem nooit opgevallen dat de weerman daarvoor een klein apparaatje gebruikt. Volgens deze kleine knul kwam het uit de man zelf, en dat kon Storm ook, dat wist hij wél.

Wanneer het ochtend was en hij naar beneden mocht, scheurde hij zijn weerbericht van het blok en gaf het aan zijn moeder die het opgevouwd voor hem in een envelop deed waarop hij “Foor de weerman”‘ schreef. Voor schooltijd reden ze naar de brievenbus van het bezoekadres van de NOS en ’s avonds zat het hele gezin voor de buis om af te wachten of de weerman zou zeggen wat hun dromer ook te zeggen had. Het was vrijwel altijd juist, maar niemand in de omgeving van Storm geloofde daar wat van. Sommige tv-makers vonden het wel geinig, maar voor het bezoek van een cameraploeg werd hij nog te veel ingenomen door kinderlijke verlegenheid die zich uitte in geslaagde verstoppogingen. Hij ging door met zijn weerpraktijken, zonder eer, maar wel met een droom die steeds minder dromerig werd.

Op een dag werden de bureau’s opgeruimd en kwam iemand een kleurrijke stapel kindertekeningen tegen. Het ging de hele redactie over en ze dachten: hier kunnen we best iets mee doen. Er kwam een brief naar de jongen toe en een paar dagen later werd op tv zijn recent ingeleverde tekening in de lucht gehouden. Zijn naam werd genoemd, samen met woorden over kinderfantasie, het navolgen van dromen en een niet-grappige grap over zijn naam. Daarna volgde, overdreven serieus uitgesproken en met een onderdrukte lach, zijn voorspelling, die door de geleerde weerman werd afgesloten met een “We zullen zien”.

De volgende dag was het een weerwar (Nee, dat woord bestaat niet. Of nouja, nu wel?): zomer, op 1 oktober in het jaar 2011. Ook in mijn niet-fantasiewereld.

Flarden fluisteren in mijn hoofd

Flarden fluisteren in mijn hoofd

willen dat ik luister naar mijn eigen ideeën, gevoelens en fantasieën

gevat in een associatie, beeld, uitspraak of zin.

 

Ik wil deze vlagen aan elkaar plakken tot het een verhaal vormt

of meer flarden opwekken om er van te maken wat het is.

Maar een half jaar leven vliegt door elkaar

en een datumvolgorde ontbreekt.

 

Om nog maar niet te spreken over de angst dat

wanneer ik me volledig overgeef aan deze roep om te schrijven

er zo veel naar buiten wil dat ik niet meer stoppen kan,

waardoor de hele dag een herinnering wordt

en de nacht een oneindige, sprekende droom

zonder pen om het te verwerken.

 

Rusteloos, chaotisch, gejaagd en geëmotioneerd zal het me maken.

Gevangen in gedachten die ik niet hebben wil

en in een zoektocht naar het vinden van de rest.

 

Lees verder

Mijn weblog is weer bewoonbaar! Een soort van, dan.

Vlak nadat ik schreef dat ik weer terug was op deze site, was ik alweer verdwenen. Maar dit ging buiten mij om, want weblog vond het leuk om de site te gaan verhuizen en dat duurde een beetje heel heel héél erg lang.

Na 10(!) weken vol ergernis en ongeduld, kan ik vanavond eindelijk weer inloggen op mijn weblog. Maar veel veranderen kan nog niet en de opmaak van mijn berichten en het design, dat ziet er niet uit. Soms is de site ook weer offline of worden er te veel of te weinig verhalen zichtbaar. Maar toch, ik ben er weer. Alvast een klein beetje. Hopelijk zijn jullie er ook nog…

In mijn afwezige weken heeft mijn pen zeker niet in een laatje gelegen. Ik schreef door. Onder andere over een unieke hiphop breakdance opera. Ben je daar benieuwd naar (en naar de rest), kijk dan op het andere onderdeel van deze site. De meer voor blogs geschikte verhalen, anders dan recensies, interviews en verslagen, heb ik opgeslagen in mijn hoofd. Deze zullen (misschien) na een tijdje alsnog hier verschijnen.

Een relatie die staat als een boom

Op een heldere zomeravond bescheen de maan het ontluikende tafereeltje. De kus, die na een tijdje broeien niet meer houdbaar was, werd gegeven.

Onze lipaanraking deed het verliefde zaadje uitschieten tot een teer boompje. Het boompje, wat eigenlijk enkel een kleine tak was, groeide voorzichtig verder. De hoop dat dit serieus door zou mogen gaan, gaf hem daarvoor de eerste kracht.

De dag daarna wist de wereld echter nog niet zo goed wat er gebeurd was. Net zoals wijzelf nog niet konden weten wat het effect zou zijn.

Nu zijn we een jaar verder. Vier meteorologische seizoenen zijn gepasseerd. Zomer, herfst, winter en lente. Nu zitten we opnieuw in de zomer. Bijna beleven we de laatste dag die we nog niet eerder samen hebben beleefd. Vlak daarna, op 21 augustus, is het jaar dat wij samen zijn rond.

Het jaar heeft ze gehad, vier perioden met bijbehorende stemmingen, activiteiten, temperaturen en neerslag. Het mooie is, in onze relatie hebben we er daarvan eigenlijk nog maar twee gekend. De opleving van de lente en de verdere bloei en warmte van de zomer.

Enkele keren stak de winter haar ijzige hand naar onze lichamen uit, greep ze ons hart en liet ze de kou er in trekken, zodat wij beklemd raakten in een ongewild gevoel van angst. Tranenregen is over mijn wangen gestroomd, vooral in momenten zoals deze, maar altijd droogde het op, en werd het zout weer het zomerzout van de rustgevende zee. De wind heeft ons weleens wakker gewaaid om te zorgen dat sommige dingen anders zouden gaan, of dat we daar aan zouden gaan werken. Maar bovenal voelden we de warmte van de zon die onze verliefde harten bescheen.

De wortels van onze boom krijgen voeding van goede gesprekken, gedeelde belevenissen en gevoelens, vertrouwen, intimiteit en liefde. Zolang wij er voor blijven zorgen dat dit blijft stromen, zal hij stevig blijven staan. Met de tijd, jaarring na jaarring, zal hij zich sterken voor als de relatiewinters gaan komen.

Mijn wens is dat onze boom door blijft groeien en steeds sterker en hoger wordt, net zo lang tot hij reikt tot die ene plaats hoog in de lucht, waar wij uiteindelijk heen zullen gaan.

Op de plek van deze titel had best een ‘Welkom terug!’-slinger mogen hangen

Meer dan een half jaar heeft de grote schrijfstop geduurd. Mijn penvulling was niet leeg, de toetsen van mijn toetsenbord waren niet vies genoeg om niet meer te kunnen typen en mijn wachtwoord om toegang tot mijn weblog te krijgen was ook niet kwijt. In mijn hoofd, daar zat het probleem.

Het kamertje daarboven, waarin de ideeën ontstaan, in de best passende woorden worden gewikkeld en via de deur naar buiten worden gebracht, was in verval aan het raken.

Een geval van sloop door eigen bouwers. De gedachten die normaal zorgen voor vlagen van tophersenactiviteit en enthousiast tikkende vingers, waren bezig gegaan met een grote kwestie vol twijfel, teleurstelling en acceptatiemoeilijkheid.

Het bed waarin inspiratiebaby’s in de slaap kunnen uitgroeien tot goede verhalen, viel van ikbennietmeernodig-verdriet uit elkaar. De zorgen stortten zich als houtvretende beestjes op de vloerplanken, vraten er aan en zorgden voor gaten. Elke beetje inspiratie dat nog geboren wist te worden, viel er meteen doorheen.

Het begon muf te ruiken, de muren verzwakten, de deur kon niet meer bewegen en alles werd grauwer, kouder en lelijker. Tot het bijna niet erger kon.

Maar toen ging het geheim eindelijk de kamer uit, om mij vervolgens via de mond te verlaten. Ineens kwam er weer woonruimte vrij. De opknapdienst kwam langs, werkte twee maanden rustig aan het leggen van een nieuwe bodem, het metselen en schoonpoetsen van de muren, het in elkaar zetten van een nieuw bed en het opplakken van vrolijk bloemetjesbehang.

Dat was genoeg om mij terug te krijgen, hier. Hopelijk voor langer dan de wegblijftijd…

De appelplukkers – lafheid of moed

Meisjes zijn te vergelijken met appels in de bomen. De beste exemplaren hangen hoog in de toppen. Ze glimmen, smaken zoet en zijn heerlijk sappig. Ze lessen je dorst, vullen je maag en verblijden je hart. Maar er is een nadeel, ze bevinden zich vlak onder de wolken en de blauwe hemel. Ver weg.

Je moet er moeite voor doen om ze te plukken. Je moet naar de schuur rennen, op zoek naar een ladder die hoog genoeg is, en hem tegen de appelboom zetten om stapje voor stapje omhoog te komen. Hand omhoog, voet omhoog, andere voet, en omhoog, omhoog, omhoog, net zo lang tot je haar ziet. De juiste, degene die je wilt.

De énige die je wilt. De anderen vallen bij haar in het niet. In jouw ogen dan. Je broer zal degene willen die er naast hangt, of erboven. Dat geeft niet. Als je hebt gezocht, en gevonden, weet je dat het goed is. Je zou nooit meer een ander soort appel willen. Vaak wil je helemaal geen andere appel meer, zelfs niet een ander die hoog in de toppen te schitteren hangt. Weet je waarom niet? Omdat je zomaar in één keer de ware koos!

Zo’n plukker, dat is wat ieder meisje verdiend. Maar het wachten duurt soms lang. De mooie appels moeten steeds weer toekijken hoe jongens de laaghangende appels plukken. De rotte appels, de appels die makkelijk te pakken zijn. Veelal komen ze spoedig opnieuw bij de boom, om snel even een andere te halen. En ze zijn zo, hup, weer verdwenen. Voor even verzadigd, maar niet voor lang.

Deze jongens nemen geen de tijd om te luisteren naar hun hart. Het kost hen zelfs te veel moeite om de schoonheid van de boom te bewonderen. De hooghangende appels zien ze niet, en als ze ze in een van de zeldzame momenten toch zien, hebben ze geen zin om een ladder te halen. Straks worden ze nog moe, kost het moeite. Of stel dat ze naar beneden vallen en zich pijn doen, of dat de appel die ze willen niet loslaat van de boom, niet door hem geplukt wil worden…

Maar wij hooghangende appels, wij wachten. Geduldig, maar wel verlangend. We denken dat we niet goed genoeg zijn, terwijl we volgens de boom juist de meest bijzondere zijn die iemand zich maar wensen kan. We merken het alleen nog niet, door jullie gemakzucht en angst. Maar we wachten en gunnen jullie de tijd, om te worden, een goede appelplukker, een ware man.

~ Mei 2010

Reik straaltje voor straaltje het zonlicht aan wat er altijd al was, aan hen die door het sterke seizoen veroverd zijn

In de winter voelt elke kilometer zwaar

als twee, elke pond veren als tien

kilo lood. Vooral de afstanden

en op te heffen zaken

in je hoofd.

Je kan er niet

tegen, er weinig aan

doen, maar zo niet zelf

verder gaan.

Maar zonnig gebleven mensen,

geliefd, bevriend, of vrijwel onbekend,

wie je ook bent, het maakt niet uit,

 strooi pure vlokjes lente over onze hoofden,

maak vrij

wat we door buiten onze wil staande dingen

bedwingen laten.

 Blaas de onzichtbare zomer

nieuw leven in.

En laat ons niet meer van haar wegroven

door eigen twijfel, onzekerheid

en andere ons ijskoud ondersneeuwende emoties,

 maar bescherm daartegen, laat ons lachen

en geef wat je geven kan,

zodat achteraf een ieder opgewekt zeggen zal,

er is op de thermometer

geen vijfentwintig graden Celsius

nodig

voor mij om gelukkig te zijn,

want midden in de diepte

van het donkerste jaargetijde

vond ik, met een beetje hulp, uit,

 dat er was, een zomersheid in mij,

 die ik voortaan niet meer verliezen wil, hoef

of zal.

Gemis in roezige uren zonder daglicht

Ik hou van de nachten misschien wel meer dan van de dagen. Ze hebben iets wat aan de overdaguren ontbreekt.

Het donker versterkt, geeft een ander gevoel. De tijd lijkt zelfs langer te duren. Een kwartier is een uur, een uur een halve nacht.

In de nacht ben je een makkelijke prooi en als je niet meer wakker bent maar slaapt, kan er van alles gebeuren, zonder dat de dromende daar van weet.

Juist daar mag jij zijn. Mijn kwetsbaarheid vertrouw ik je toe. En het klinkt misschien wat raar, maar lief, weet je dat elke, maar dan ook echt elke, nacht sinds ik je ken, het een gemis is dat je niet bij me bent?

Je lichaam, je ziel, je aanwezigheid, je adem, je woorden, niets van dat. Enkel ik, onder een deken die mij niet verwarmen kan.

Ik mis je. Jouw warmte en het bonsgevoel van de slag van je hart. Dat zou er moeten zijn. Elke nacht, altijd.

Jij bij mij en ik bij jou. Samen die daglichtloze uren door, wakker worden, en beginnen aan dagen die misschien wel nóg mooier zullen worden.

Nog even heel veel nachtjes geduld…