Vinden wat hij zonder het te weten zocht

Hij wordt voortgedreven over het asfalt en de met kauwgom bespuwde tegels van de stoepen. Vooruit, rechtdoor, zonder pauze. Voet voor voet, stap na stap, de meters voorbij. Net zo lang tot vele kilometers zijn gevormd.

De tijd verstrijkt zonder het hem te laten weten. Zomerdagen als deze duren lang, want de nachtelijke duisternis komt laat en licht getint. De warmte zorgt ervoor dat zijn witte shirt aan zijn huid kleeft, licht bollend door een buik gevoed met de heerlijkheden van het leven. Niet dat hij dat voelt, want voelen is juist wat hij even niet wil.

Het draait er enkel nog om dat hij is waar hij is, al is hij daar maar kort. Al was het lang, hij zou veel niet zien. De wachtende gele taxi’s, bomen die verdrukt worden door gebouwen zo grijs, strepen op het asfalt die aangeven waar men gaan mag en waar niet. Volle afvalbakken, een ronddwarrelende plastic zak, hekken die mensen op veilige afstand houden, een poepende hond. De lelijkheid van deze grote stad toont zich, zonder gezien te worden.

Zijn hoofd is zijn wereld, de werkelijkheid, dat waar het om draait. Daar gebeurt het, is beweging en wordt gepraat, gevochten, verleid en bespot. Gedachten die strijden, tegen elkaar en de waarheid. Maar is die waarheid voor een ieder even waar? Een vraag die geen antwoord kent, of verwacht.

Voor hem is het zo en niet anders. Een gegeven als een van de gebouwen om hem heen. Een bouwwerk met vele ramen, een hoogte waardoor niemand kan zeggen het niet te zien. Dat betekend echter niet dat hij daar automatisch blij mee is. Vluchten is wat hij doet. Weg bij de armen die zich naar hem uitstrekken om hem in de put te trekken, naar daar waar geen licht is, geen ladder, alleen hijzelf. Daar, tussen ronde muren en op een bodem met kilte en vocht, zal geen afleiding zijn van het herinnerde verleden. De fouten, de teleurstellingen, de dromen die uit leken te komen, maar toch nachtmerries werden. Hij wil ze niet zien.

Een venster nadert. Een van velen, maar toch anders. Wit als de natte textiel om zijn lijf en een plaat van glas omsluitend. Iemand liet er een krabbel na, om niet vergeten te worden. Iets hiervan trekt hem aan, vraagt zijn aandacht. Hij versneld zijn tempo, laat zijn voeten vaker neerkomen in dezelfde tijd. Zijn ademhaling wordt onrustiger, korter en minder diep. Zijn poriën laten de zoute druppels niet meer langzaam glijden, maar snel stromen. Een steek pijnigt zijn zij. Zijn hart mist een slag. Hij stopt net op tijd om naar binnen te kijken.

Zijn lijf glimlacht opgelucht en komt langzaam tot rust. Wat hij hier tentoongesteld ziet, doet hem goed. Het is net wat hij nodig had, al wist hij niet dat hij het zocht. Een voorbeeld wat zegt dat het leven soms mooi is, dat je iets hebt waar je al dat ademen, slapen, praten, denken, voelen, eten en bewegen voor doet. Een boek, met een titel die vliegt naar zijn diepste binnenste. Zijn spiegelbeeld verplaatst zich over de ruit, de deurkruk beweegt, de houten deur zwaait open, het belletje rinkelt en een bundel waardevol papier voorzien van harde kaft wordt van zijn rustplank gelicht. Gulzig bladert hij langs letters die woorden, zinnen en daarmee stukken van een verhaal vormen. Van voor naar achter, soms een stukje terug of een groot stuk vooruit. Het lezen verrukt hem en zijn onrust krimpt stukje bij beetje tot het de grootte van een punt aanneemt. Een klein, zwart stipje aan het eind van een droef verhaal met een verrassend eind. Hij beleeft vernieuwd geluk tot het uit is, en opnieuw.

Een grijze muis op zoek naar kleur

Ze weet wat ze is en wat ze van haar denken, maar dat betekent niet dat ze zich er bij neerlegt. Het is tijd voor een doorbraak. Een pruik, rode lippenstift en andere make-up, een veel te dure jurk en glanzende pumps liggen klaar. Het moet genoeg zijn om haar zo onherkenbaar te maken dat zelfs zijzelf zal vergeten wie ze is.

Het leven hoeft niet zwaar te zijn voor personen zoals zij. Tenzij ze het zelf zo maken, door hun deel van nietsbetekenende witheid steeds dichter naar de onzichtbaarheid te brengen. Of nog erger, als ze hun typerende kleur steeds donkerder laten worden, tot een zwart die geen spikkel van licht meer bevat.

In de nacht teisteren dromen haar, dromen die eigenlijk gewoon waarheid zijn. Mensen die zij ziet, maar die haar niet zien. Werk wat zij deed, maar wat niemand waardeerde. Haar genomen ontslag waarbij zelfs een simpele handschudding ontbrak. Een plan, steeds groter groeiend, veel verder dan een gewone grijze muis ooit bedenken zou.

Spiegels logen haar nooit eerder voor. Daarin zag ze doffe ogen, die eigenlijk gesloten zouden willen zijn voor wat de levens van anderen haar lieten zien. Succes, macht, vriendschap, liefde, aandacht, glamour, spanning, feest, schoonheid en trots. Beelden die bij elke messteek in haar hart krijsen: kijk eens, zo had het kunnen zijn.

Maar vanavond kunnen spiegelende zilveren oppervlaktes, etalageruiten, fotocamera’s en mensen misleid worden. Wat ze zien, zien ze echt, maar wat daaronder schuil gaat, haar oude ik, de grijze muis, die door het leven ging vol mensenvrees, onzekerheid, afstandelijkheid, stilte en schichtig gedoe, niet. Nu is ze een zelfverzekerde verleidster, met een plan voor een bloedstollende avond vol kleur en levendigheid.

Haar vinger heeft nog niet eens de knop van de bel ingedrukt of de deur zwaait al open. Meteen daarna gaat hij alweer dicht. Met als verschil dat ze nu gezelschap heeft van iemand die niet wil dat ze binnen komt, omdat zij een vreemde voor hem is, zo denkt hij.

Hun wandeling van kennismaking pauzeert bij een bankje in het park. Ze streelt zijn ego door te overdrijven wat ze ziet. Een fijngevormde neus die hij vast alleen in goede zaken steekt. Goed verzorgde handen die zijn woorden ondersteunen. Stijlvolle kleren die hem extra knap maken. Schoenen en een horloge, die zijn duur, hij verdiend zeker goed. Licht grijzende haren die hem wijsheid geven, maar die op dit moment vooral lieflijk glanzen in het maanlicht. Stoppels op zijn kin en zijn wangen, een vleugje jeugdige onbezorgdheid. Schitterend groen in zijn ogen, helder en betoverend. Kuiltjes in zijn wangen, zo lief. Smakelijk uitziende lippen, als zachte snoepjes waar ze van proeven wil, en zal.

Terwijl haar rood gestifte lippen naderen, komt hem een beeld voor ogen. De vrouw die laatst ontslag nam, die ene die zich altijd zo op de achtergrond hield. Ze was niet echt lelijk, maar ook niet mooi. Een vrijwel kleurloze verschijning, kleren die niet op mochten vallen, een stem die alleen voor het hoognodige gebruikt werd, dat maakte haar er allemaal niet opmerkenswaardiger op. Haar werk deed ze goed, maar het was zeker niet geschikt om over op te scheppen tegen concurrenten van zijn bedrijf. En ineens wilde ze weg, verdween ze met haar slungelige benen uit zijn gezichtsveld voordat hij fatsoenlijk afscheid had kunnen nemen. Ook al kon hij het niet zien, hij wist hoe haar gezicht zwijgend tot de vragend toekijkende collega’s sprak. Samengeknepen lippen die ze zenuwachtig nat maakte met het puntje van haar tong, ogen die angstig heen en weer schoten en het vreemdste, de figuurlijke brok in de keel, die bij haar letterlijk zichtbaar was. Een verschijning zo sneu, als een kind waarvan de teddybeer onvindbaar was, terwijl ieder ander er wel eentje had.

Abrupt neemt hij afstand. “Nee, sorry, ik kan het niet!”.

Ze had beter niet naar de reden kunnen vragen, want het antwoord gaf haar sneller kleuren dan ze had verwacht. Het waren alleen niet de goede. Ze spraken niet van aandacht, beminning en sensatie. Ze ontving grauwige paarsblauw, bleek huidroze en onderhuids rood. De kleuren die ze zichzelf deze avond had geschonken, waren de kleuren van de dood.

Niet alleen deze gebeurtenis, maar ook de arrestatie kwam voor haar als een doodslag. Evenals de koppen en de foto’s in de krant die haar daad en de daarop volgende rechtszaak beschreven. Ze waren gedrukt zoals het een grijze muis betaamt (al was zij erger dan dat) :een combinatie van wit en zwart.

Een roze wolken dromerig idee

Als ik je mis en er boven mijn hoofd een denkwolkje ontstaat, of beter gezegd met jouw lengte van lijf en jouw impact op mij: een wólk van gedachten, zou ik willen dat wat ik daar zag, een mooi plaatje van vlees en bloed en liefde, met kijkers die werken als magneten en hoofdharen die vragen om gewoel, met vingers die ik met de mijne vervlochten wil hebben en een mond die spreekt van het leven en het goede en van jij en ik maar die behalve woorden zeggen ook erg goed kussen kan, niet denkbeeldig maar werkelijk bij mij was.

Op die momenten van geliefde-gemis prik ik daadkrachtig in het witte wolkgebied om vervolgens te wachten tot jij langzaam met de zachte dons naar beneden daalt om naast mij neer te komen met een grijns en een ogentwinkeling van geluk, waaraan ik zien kan dat je blij bent er te zijn, bij mij.

Maar lukken doet dit nimmer, dus wacht ik keer op keer vol verliefd ongeduld tot het moment waarop ik je weer buiten mijn wenswereld zie, terwijl ik mezelf troost met het idee dat de reden van het mislukken is dat jij dit ook doet, tegelijkertijd, waardoor onze wil om samen te zijn sterker is dan deze roze wolken dromerige manier van personenvervoer hebben kan.

En er is niemand die met zekerheid zeggen kan dat het niet waar is, want de liefde is onbegrijpelijker dan dat wat niemand grijpen kan.

Er zit een pony op mijn hoofd

Er zit een pony op mijn hoofd. De variant die niet hinnikt en niet stinkt. Zonder hoeven, maar wel met haar. Míjn haar, om precies te zijn. Maar dan veel korter dan voorheen.

Dat wilde ik zelf, zonder het eerst te weten. Het idee ontstond op de dag dat ik een van de grootst mogelijke fouten maakte die je bij een kapper maken kunt. Zeker als het een kapper is die je niet kent. “Ik wil graag iets anders, zodat mensen eindelijk eens zien dat ik naar de kapper ben geweest!”, kwam er uit mijn mond. De artistiek ogende kapster met zwart kroeshaar wat alle kanten uit ging zonder last te hebben van de zwaartekracht, plukte wat aan mijn haar, mompelde iets van “Misschien een pony?”, deed wat knipjes, liet me heel lang wachten, deed nog wat gefriemel en toen stond ik buiten. Zonder pony, maar wel met een haarmisbaksel. Niet naast me, maar op míjn hoofd. Al zag ik dat laatste pas achteraf, en nu, maanden later, nog steeds.

Het pony-woord bleef in mijn hoofd hangen en elke dag als ik in de trein of de bus zat, door de stad liep of tv keek, zag ik een goed geknipt stuk haar over het voorhoofd van vrouwen hangen. Ik staarde er gefascineerd naar totdat ik boze blikken kreeg die mij zonder woorden vroegen wat er nou zo bijzonder was. Nou, zo’n kapsel hè, zo eentje als jij hebt, dat wil ik toch eigenlijk ook wel een keer, was het verzwegen antwoord.

De volgende kapsalon die ik bezocht had een kapster in dienst die de gok niet durfde te wagen en mij een lok gaf die sprekend leek op de hare. Maar dan iets minder goed gelukt. De daarop volgende keer bezocht ik gewoon weer een andere knipmevrouw. Ze kreeg een voorzichtig om een pony vragend meisje in de stoel. Die daarna ineens vrolijker was, want: ze wilde het doen!

In een paar minuten was het gebeurd en lagen de haren op mijn schoot. Ze dreven ook in mijn koffie. Ze waren afgeknipt omdat ze toevallig aan de voorkant van mijn hoofd waren gegroeid in plaats van aan de achterkant. Heel zielig.

De stijltang kwam er aan te pas en met een totaal nieuwe look, liep ik de deur uit. Ik voelde me ondanks dat toch een meisje met iets op haar voorhoofd wat daar niet hoorde en ook nog eens heel aanwezig was. Het leek alsof iedereen aan me zag dat mijn haar mij verwarde, me aanstaarde en in zijn of haar hoofd dacht: hihihihi! Een combinatie van menselijk uitlachen en paardenpony-gegiechel (want wie zegt dat hinniken voor die dieren hetzelfde is als praten voor ons?), ofzoiets.

Sinds mijn thuiskomst die dag, is mijn naam vervangen door een gniffelend “Pony!”. Herhaaldelijk uitgesproken, elke keer als mijn gezinsleden mij bekeken. Dat was dus best wel heel erg vaak.

Nu worstel ik al een paar weken elke ochtend met mijn eigenwijze haar dat in de slag schiet en eigenlijk het liefst een leven als krulhaar zou willen hebben. Mijn scheiding (niet van een man, maar van twee haarhelften met een grenslijn van huid) die altijd op dezelfde manier valt, wil daar eigenlijk niet mee ophouden. Ook opmerkelijk: de rechterlokken van mijn haar krullen onderaan naar links en de linkerlokken willen op hun beurt liever naar rechts. En wanneer de ene kant naar binnen buigt, buigt de andere naar buiten of gaat het stijl omlaag. Om nog maar niet te spreken over mijn net-uit-bed-uiterlijk met recht overeind staand haar alsof iemand er terwijl ik sliep een halve pot gel in heeft gesmeerd en het korte haar zo gek mogelijk overeind heeft gezet. Soms begin ik, maar dat geef ik niet hardop toe, te denken, hadden die eerste twee knipmevrouwen mij dan tóch leed bespaard?

Gelukkig bestaat er zoiets als een stijltang. Al heb ik dan net weer de verkeerde gekocht. Of is het normaal dat ik al na een paar seconden mijn voorhoofd en vingers verbrand nadat die in aanraking zijn gekomen met net behandeld haar? Als we een brandalarm zouden hebben, zou het al een paar keer zijn afgegaan, dat weet ik wél. Of het na al dat harde werken nou mooier is dan het kapsel dat ik vroeger had, is ook nog maar de vraag.

Niemand zegt van wel en ook mij is het een raadsel. Nu heeft het ponyhaar alweer bijna een lengte die niet pony-achtig meer is (en dat zónder paardenstront als mest), zeg maar zo lang dat ik een blindegeleidehond nodig heb, dus het laten groeien tot normaal haar is vanaf nu best te doen. Velen moedigen dit, niet zo subtiel, aan. Maar Ivanka is eigenwijs. Dus galoppeert ze de komende tijd nog even verder in pony-ergernis.

De weerwar waar niemand over uitgepraat raakte

Het was een klein meneertje met een grote droom: weerman worden. Elke avond voordat hij naar bed ging, keek hij uit het raam. Net voordat het donker zou worden, kon hij nog wolken tellen, bedenken welke vormen ze hadden en nadenken over de kleur van de lucht en het antwoord op de vraag of vogels nou van zichzelf zo snel konden vliegen of dat de wind ze vooruit duwde. Daarna pakte hij zijn weerblok en zijn potlodendoos, tekende zonnetjes en hemelblauw of grijze luchten en regen. Ook bedacht hij of de poppetjes op zijn papier zwembroeken nodig hadden of een sjaal en of het boogje van hun mond omhoog of omlaag moest gaan. In hanenpoten schreef hij er wat verklarende cijfers en letters bij, en in de rechterhoek Storm, zijn naam.

Daarna kroop hij diep onder de dekens, om meteen in slaap te vallen. Want hij wist wat er dan zou gebeuren. De dromentrein zou arriveren om hem te laten reizen naar het eind van het NOS-journaal van de aankomende dag. Daar zou hij staan, voor een bewegend plaatje van Nederland dat grotendeels bedekt zou zijn met ingewikkelde lijnen en letters, en hier en daar een overvliegende wolk. Wanneer hij in zijn hand kneep, zou het beeld veranderen om te laten zien wat de mensen de volgende dag konden verwachten. Hij wist niet precies hoe dat kon, want het was hem nooit opgevallen dat de weerman daarvoor een klein apparaatje gebruikt. Volgens deze kleine knul kwam het uit de man zelf, en dat kon Storm ook, dat wist hij wél.

Wanneer het ochtend was en hij naar beneden mocht, scheurde hij zijn weerbericht van het blok en gaf het aan zijn moeder die het opgevouwd voor hem in een envelop deed waarop hij “Foor de weerman”‘ schreef. Voor schooltijd reden ze naar de brievenbus van het bezoekadres van de NOS en ’s avonds zat het hele gezin voor de buis om af te wachten of de weerman zou zeggen wat hun dromer ook te zeggen had. Het was vrijwel altijd juist, maar niemand in de omgeving van Storm geloofde daar wat van. Sommige tv-makers vonden het wel geinig, maar voor het bezoek van een cameraploeg werd hij nog te veel ingenomen door kinderlijke verlegenheid die zich uitte in geslaagde verstoppogingen. Hij ging door met zijn weerpraktijken, zonder eer, maar wel met een droom die steeds minder dromerig werd.

Op een dag werden de bureau’s opgeruimd en kwam iemand een kleurrijke stapel kindertekeningen tegen. Het ging de hele redactie over en ze dachten: hier kunnen we best iets mee doen. Er kwam een brief naar de jongen toe en een paar dagen later werd op tv zijn recent ingeleverde tekening in de lucht gehouden. Zijn naam werd genoemd, samen met woorden over kinderfantasie, het navolgen van dromen en een niet-grappige grap over zijn naam. Daarna volgde, overdreven serieus uitgesproken en met een onderdrukte lach, zijn voorspelling, die door de geleerde weerman werd afgesloten met een “We zullen zien”.

De volgende dag was het een weerwar (Nee, dat woord bestaat niet. Of nouja, nu wel?): zomer, op 1 oktober in het jaar 2011. Ook in mijn niet-fantasiewereld.

Flarden fluisteren in mijn hoofd

Flarden fluisteren in mijn hoofd
willen dat ik luister naar mijn eigen ideeën, gevoelens en fantasieën
gevat in een associatie, beeld, uitspraak of zin.

Ik wil deze vlagen aan elkaar plakken tot het een verhaal vormt
of meer flarden opwekken om er van te maken wat het is.
Maar een half jaar leven vliegt door elkaar
en een datumvolgorde ontbreekt.

Om nog maar niet te spreken over de angst dat
wanneer ik me volledig overgeef aan deze roep om te schrijven
er zo veel naar buiten wil dat ik niet meer stoppen kan,
waardoor de hele dag een herinnering wordt
en de nacht een oneindige, sprekende droom
zonder pen om het te verwerken.

Rusteloos, chaotisch, gejaagd en geëmotioneerd zal het me maken.
Gevangen in gedachten die ik niet hebben wil
en in een zoektocht naar het vinden van de rest.

Lees verder

Mijn weblog is weer bewoonbaar! Een soort van, dan.

Vlak nadat ik schreef dat ik weer terug was op deze site, was ik alweer verdwenen. Maar dit ging buiten mij om, want weblog vond het leuk om de site te gaan verhuizen en dat duurde een beetje heel heel héél erg lang.

Na 10(!) weken vol ergernis en ongeduld, kan ik vanavond eindelijk weer inloggen op mijn weblog. Maar veel veranderen kan nog niet en de opmaak van mijn berichten en het design, dat ziet er niet uit. Soms is de site ook weer offline of worden er te veel of te weinig verhalen zichtbaar. Maar toch, ik ben er weer. Alvast een klein beetje. Hopelijk zijn jullie er ook nog…

In mijn afwezige weken heeft mijn pen zeker niet in een laatje gelegen. Ik schreef door. Onder andere over een unieke hiphop breakdance opera. Ben je daar benieuwd naar (en naar de rest), kijk dan op het andere onderdeel van deze site. De meer voor blogs geschikte verhalen, anders dan recensies, interviews en verslagen, heb ik opgeslagen in mijn hoofd. Deze zullen (misschien) na een tijdje alsnog hier verschijnen.